Al mijn hele leven ben ik iemand die bruist van de ideeën. Het meisje dat over haar woorden struikelt. De vrouw die komt met dat ene out-of-the-box idee. Ik houd van dingen creëren, verbeteren, neerzetten en ik doe het allemaal met overgave. 'Als ze het in d'r kop heeft, heeft ze het niet in d'r kont', zei mijn oma vroeger altijd.
Toen ik vijftien jaar geleden tijdens mijn corporate carrière vond dat ik meer moest bewegen, schreef ik me natuurlijk gelijk in voor een marathon. Go big or go home was mijn instelling, met alles. Mensen op mijn werk met een burn-out begreep ik niet. Beetje thuiszitten, alsof dat helpt. 'Watjes' zei ik er nog net niet hardop achteraan.
Naast mijn leven met mijn zoon slokte de voorbereiding voor de marathon al mijn vrije tijd op. Drie jaar fanatiek getraind en het was een onvergetelijke ervaring. Ik finishte in Central Park, New York, samen met mijn broer. Dat maakte het extra speciaal.
Maar onder al dat levensvuur sleepte ik al jaren een vermoeid lijf mee. Toen de huisarts de week ervoor stellig zei dat ik de marathon niet kon lopen, keek ik haar aan alsof ze van Mars kwam. Hoezo niet? Dat ik 'm uiteindelijk finishte met ingetapete knieën, prednison vers achter de kiezen en een astma-inhaler onder mijn arm, was voor mij niets geks. Als ik iets wilde, dan deed ik het. Mijn lijf moest daarin mee. Geen uitzonderingen.
Na de marathon zei mijn lijf: tot hier en niet verder. Ik dacht een paar dagen rustig aan en dan knallen we weer door. Maar voor het eerst in mijn leven ging dat niet. De vermoeidheid die ik al die jaren met me meedroeg had haar hoogtepunt bereikt. En voor het eerst drong tot me door wat ik al die tijd had gedaan. Vanaf dat moment stapelden de klachten zich in rap tempo op. Ik kwam volledig tot stilstand en vanuit die stilstand tot inzicht.


